Terug naaar Tijdmachine

1806

Patentrecht en linnenwevers

Patentrecht was een vastgestelde belasting, waarbij iedereen die een beroep uitoefende anders dan landbouwer, een patent van de overheid moest vragen. Voor dit patent betaalden ze jaarlijks zegelrecht. In 1806, het eerste jaar van de heffing, betaalden in Gilze vijftien linnenwevers patent en in Rijen twee. 42 jaar later, in 1848, was dat aantal opgelopen tot achttien in Gilze en zeven in Rijen. Linnen werd meestal geweven in opdracht van fabrikanten, handelaren of particulieren. Het werk in de linnenweverij werd in vergelijking met andere huisnijverheid het laagst betaald. Er waren ook jonge jongens en meisjes in dienst bij een linnenwever. Maar door de lage lonen vonden de thuiswevers aan het eind van de 19de eeuw geen opvolgers meer. En door de opkomst van de snelspoel en de stoommachine kwam er een einde aan de thuisweverij. Voortaan gebeurde dit in een fabriek.